The Antwerp Songbook 1544
"The Antwerp Songbook 1544 album by Camerata Trajectina on
Internet Music"
Release Date: 2005-02-11T00:00:00.000000Z
Aenmerct doch mijn geclach
Ic stont op hoogen bergen
Adieu schoon bloemken, reyn akeleye
In mijnen sin hadde ick vercoren
Bistu een crijgher of bistu een boer ?
In mijnen sin
Den dach en wil niet verborghen zijn
Ic hadde een gestadich minneken
De lustelijcke mey is nu in sijnen tijt
Lof toeverlaet Maria, sonder sneven
Den lustelijcken mey is nu in sijnen tijt
Met luste willen wi singhen
Den winter is een onweert gast
Mijn here van Mallegem die quam gereden
Eylaes, ic arm allendich wijf
O radt van avontueren
Een ridder ende een meysken jonck
O Venus’ bant
Hoe coemt dat bi, scoon lief, laet mi dat weten
O Venus’ bandt, o vierich brandt
Het was een aerdt-, een aerdich medecijn
O Venus’ bandt
Het is goet vrede in alle Duytsce landen
Och regenboge, waerop stelt die jonghe helt zijn sinnen
Het soude een fier margrietelij
Om een die liefste, die ic beminne
Het viel eens hemels douwe
Rijck God, hoe mach dat wesen
Het voer een visscher visschen
Rijc God, wie sal ic clagen
Het is gheleden jaer ende dach
Tandernaken op den Rijn
Hout al aen, laet ons vrolic springen
Verblijt u, ic sal u singhen voren
Wie wilt hooren en goet nieu liet, wat te Haerlem
Wie was dieghene die die looverkens brac